Category Archives: tekst

Gewoon een lekkere tosti

Het was de meest kansloze versierpoging ooit en toch werd Alice de volgende ochtend wakker naast de man die in het café met dat idiote verhaal op de proppen was gekomen. Misschien kwam het door het late tijdstip en de wijn. Het feit dat ze zo alleen was, nadat ze met dichtslaande deur vertrokken was van het feest van haar beste vriendin. Of misschien waren het gewoon zijn donkere krullen, dat kan ook. Wat deed het er toe? Ze had hem meegenomen en nu zat hij in zijn onderbroek op de rand van het bed ingewikkeld uit het raam te staren.

Aha, dacht Alice, een onderbroek-weer-aan-trekker.

‘Alice,’ zei hij, ‘ik moet je iets bekennen.’
‘Oké.’ Alice hoopte op een vriendin, of een gezin zelfs. Zodat ze hem met veel misbaar lekker snel en ethisch verantwoord de deur kon wijzen. Ze moest nog een hoop doen. Die vriendin bellen, bijvoorbeeld. En Jimmy. Een manier vinden om ‘sorry’ te zeggen, zonder al te veel gezichtsverlies te lijden. Maar hij pakte haar hand en keek haar recht in de ogen. Kwetsbaar en verliefd.
‘Ik kom helemaal niet uit 2230 en jouw toekomstige achterachterkleindochter wordt niet de aanvoerder van het Verzet tegen het Systeem. Ik heb tegen je gelogen, sorry.’
‘Ja duh,’ zei Alice.
‘Hoe bedoel je?’ Hij klonk beteuterd.
‘Hallo, waar zie je me voor aan?’
Hij stond op en ging op zoek naar zijn kleren. ‘Ik kom eigenlijk uit 2099, ik werk voor een bedrijf dat in opdracht van de overheid de geboorte van terroristen ongedaan maakt. Die heldenverhalen verzinnen we omdat mensen graag horen dat ze belangrijk zijn. De uitverkorene en zo. Ze werken dan makkelijker mee, maar- Het is helemaal doorgeslagen. Het begon met het afwenden van rampen, maar het is een fokprogramma geworden. Dat realiseer ik me pas nu. Door jou. Alle impulsiviteit wordt eruit gewist. Het is daar saai, Alice. In de toekomst, bedoel ik. Alles is zo verrekte veilig. Dit is voor het eerst dat ik door een wildvreemde het bed in ben gesleurd en ik voel me helemaal-‘
‘Ho. Wacht even.’ Alice onderdrukte de aanvechting om uit bed te springen. Hij was al half aangekleed en zij nog poedelnaakt. ‘Ik heb jou het bed in gesleurd? Is dat hoe het volgens jou is gegaan?’
‘Nou ja, ongeveer. Bij wijze van spreken.’ Hij knoopte zijn stropdas. Dat had ook meegespeeld, dacht ze nu. Dat pak. Alice werd nooit aangesproken door mannen in pak. Ze wist niet eens of ze weleens eerder in het echt een man in pak had gezien.
‘Hallo,’ zei ze, ‘je wist niet hoe snel je mij naar hier moest krijgen.  Het was net alsof ik bij Tom Boonen op de bagagedrager zat.
‘Wie?’
‘Tom Boonen. Dat is een wielrenner. Fietst voor de formatie van Etixx-Quick Step. Het doet er niet toe.’ Ze ging rechtop zitten en hield de deken voor haar borst. ‘Het gaat in elk geval wat ver om te zeggen dat ik jou in bed heb gesleurd.’
Hij zette zich op de rand van het bed en hield zijn hoofd in zijn handen. ‘Ik wil niet terug, Alice. Ik wil blijven.’
‘Uhm…’ zei Alice. Een ontsnapte gek, waarom ook niet. Ze vroeg zich af of ze iemand moest bellen. Een instantie, of iets dergelijks.
Hij keek haar aan. Rode ogen, maar misschien kwam dat door de kater. ‘Mijn baas zal een ander sturen. Iemand die zal voorkomen dat wij elkaar überhaupt ontmoeten. En als diegene daar niet in mocht slagen, zal hij weer een ander sturen. Net zolang tot het loopt zoals het moet lopen.’
Hij gaf haar een kus op haar voorhoofd en stond op.
‘Wij zullen elkaar niet herinneren. Dat is het ergste. Dit – jij , ik – het is niet eens gebeurd.’
‘Oké…’ zei Alice, terwijl hij naar de deur liep. ‘Ik vond het desalniettemin gezellig.’ Continue reading Gewoon een lekkere tosti

De dader die geen blaam trof

‘Tjee,’ assembleerde rechercheur Niewold de in tientallen stukken gezaagde overledene tot een anatomisch correct geheel, ‘ik ben helemaal sprakeloos.’ Agent Van Hoepen stond in een zijbeuk van de kathedraal  en trok aan zijn onderlip. ‘Zeg,’ vervloekte Niewold binnensmonds de korpschef  die met deze passieve joker op de proppen was gekomen, ‘zou je niet eens wat aanwijzingen verzamelen?’ Van Hoepen peuterde een Fisherman’s Friend uit een zakje en stak hem in zijn mond. ‘Mmm,’ zei hij, ‘lekker.’
‘Daar,’ wees Niewold hem op een spoor. ‘En daar,’ knikte ze naar een aanwijzing. ‘En als je zo vriendelijk zou willen zijn om even een verband te leggen tussen die hint en dat bewijsstuk daar, dan komen we misschien vandaag nog achter de identiteit  van het slachtoffer.’
Van Hoepen slofte quasi-nonchalant de zijbeuk uit en inspecteerde semi-geïnteresseerd een rij klapstoeltjes.
‘Ik ken haar,’ zei hij. Hij knikte zo achteloos als hij kon in de richting van Niewolds postmortale legpuzzel. ‘Dat is de vrouw van mijn internetprovider.’
‘De vrouw van je internetprovider,’ herhaalde Niewold Van Hoepen.
‘Yep,’ zei Van Hoepen, terwijl hij met een bewaard stokje van een Magnum een stukje kauwgum onder zijn zool vandaan peuterde.
‘En die ken je hoe?’ kon Niewold zijn bloed wel drinken.
‘Via mijn internetprovider,’ zei Van Hoepen schouderophalend, ‘hij is met haar getrouwd.’

Een huiszoekingsbevel, een lugubere ontdekking in een garagebox, een stijf optreden in een misdaadprogramma, een klopjacht, een achtervolging in een zwarte Audi A1 die compleet met allerlei extra’s ook in andere kleuren leverbaar is, een arrestatie met veel vertoon, een door Kaps & Meulenbelt Advocaten ontdekte vormfout, een vrijspraak en een op gesteggel over kinderen gestrande affaire met een toevallig passerende collectant van de Hartstichting later, stond Niewold, na een in een verzoek tot overplaatsing uitgelopen handgemeen met Van Hoepen, in het kantoor van rechercheur Mulder op een keukentrapje en verving een lampje.
‘Pas op,’ hing Mulder in een hoek op de divan, ‘dat je bij het vervangen van het lampje niet van dat keukentrapje lazert, Niewold. Dan zijn we nog verder van huis.’
‘Zo,’ zette ze de schakelaar om, ‘nu kunnen we tenminste zien wat we zeggen.’
‘Kom,’ dronk Mulder zijn Fanta leeg, laten we een hapje gaan eten in Hier Had De Naam Van Uw Etablissement Kunnen Staan. Ik trakteer.’

‘Limburg,’ liet Niewold haar uitsmijter onaangeroerd, ‘breek me de bek niet open.’
‘Hunebedden,’ voldeed Mulder aan haar verzoek, ‘prachtig. Knap dat die oermensen toen al wisten waar later de provincie Drenthe zou ontstaan.’
Niewold keek naar hem. Naar zijn hoofd en zijn haren, de vanzelfsprekendheid waarmee hij op een stoel zat en voor het eerst viel haar iets op. Ze wist alleen niet wat.
‘Mulder,’ plukte ze de garnering van haar bord, ‘mag ik wat vragen?’
‘Uiteraard.’
‘Ben ik raar?’
‘Raar,’ bestelde Mulder meteen maar twee pinten bier, ‘wat is raar? Ik zeg altijd maar zo: je bent zo raar als je je voelt.’
Niewold schoot de garnering met een zucht tussen duim en wijsvinder de tafel over.
Ze proostten.
‘Weet ik veel,’ wees Mulder naar een man die al een kwartier door het raam naar binnen stond te loeren, ‘die man staat al een kwartier door het raam naar binnen te loeren. Kijk, dat vind ik nou raar.’
‘Die man,’ knikte Niewold, ‘die is me al een half jaar aan het volgen. Dat is gewoon een stalker.’
‘O, een stalker,’ nam Mulder een slok, ‘sorry, dat had ik niet gezien.’

Fan

In de vierzits voor me (Den Bosch – Utrecht, nachttrein, halfleeg) zitten twee jongens en één meisje laveloos met hun telefoons te spelen. Ik lees laveloos een boek. Verderop ligt een vrouw waarschijnlijk laveloos te slapen. Haar benen bungelen in het gangpad. Een laveloze man, op weg naar de wc, manoeuvreert zich er met aandoenlijk veel moeite langs. Ik weet dat hij naar de wc gaat, want ik heb hem daarvoor ‘ik moet zeiken als een rietneger’ horen zeggen tegen een laveloze reisgenoot.

Het meisje met de telefoon vloekt, ‘die krijsende kuthoer heeft Roland Garros gewonnen.’
‘Wat?’ vraagt jongen 1 landerig.
‘Sharapova,’ spuugt ze, ‘ik haat die teef.’
‘O, die,’ zegt jongen 2, ‘verwaande muts.’

Kuthoer, teef, muts. Ik stop mijn boek in mijn tas en sta op.

‘Hoe noemde jij Maria Sharapova daar?’ informeer ik beleefd. ‘Wil je dat nog eens herhalen?’
Het meisje kijkt me aan of ik geschift ben. Ze is een jaar of 22 en ondanks het laveloze ziet ze eruit alsof ze psychologie studeert. De jongens kijken me ook aan alsof ik geschift ben, maar ik kan aan hun gezichten niet zien wat ze precies studeren.
‘Nou?’ dring ik aan.
‘Jezus gast,’ zegt jongen 1, ‘tief effe een eind op.’
Ik ga zitten op de vrije stoel, naast jongen 2. Jongen 1 zit nu tegenover me, het meisje naast hem bij het raam. Ik richt me tot haar.
‘Ik hoorde “kuthoer” maar misschien heb ik dat verkeerd verstaan.’
‘Nou,’ zegt ze met een mengeling van angst en woede, ‘ik heb het gewoon niet op haar en haar prinsessengedrag. Ze denkt dat ze heel wat is.’
‘Ja, vind je het gek,’ zeg ik, ‘ze heeft net Roland Garros gewonnen. Als ik net Roland Garros gewonnen had, dan zou ik ook denken dat ik heel wat was. Maar dat heb ik niet. Ik heb net in een theater naar een amateurmusical zitten kijken en me daar 90 minuten lang afgevraagd of mijn buurman last had van mijn stinkvoeten.’
‘Gast echt,’ zegt jongen 1, ‘wat moeten wij met die shit?’
‘Goed punt,’ geef ik ruiterlijk toe, ‘onnodige informatie, vergeet het.’
Jongen 1 is het zat. Hij pakt me bij mijn kraag en trekt me overeind. ‘Opflikkeren. Nu.’
Het meisje begint baldadig te worden, eigenlijk precies waar je dat soort meisjes hebben wil. ‘En ze kan geeneens goed tennissen. Dat zegt mijn leraar. Ze kan hard meppen, maar verder is het drie keer kut.’
Ik ruk me los uit de greep van jongen 1, duw hem terug in zijn stoel en ga zitten. ‘Haar arsenaal is inderdaad beperkt, haar stijl lijkt soms wat onbeholpen. Maar ze wint. Dat is haar kracht. Sharapova wint, omdat ze dat besloten heeft. Dat die leraar van jou dat niet ziet, daaruit blijkt dat het een prutser is.’
Jongen 1 grijpt met een hand mijn haar, met de ander trekt hij aan mijn shirt. Hij wil me wegsleuren, maar het shirt scheurt. Hij wankelt, kijkt even verbaasd naar het stuk textiel in zijn linkerhand en ziet derhalve mijn rechter niet aankomen. Ik raak hem vol tegen de zijkant van het hoofd. Hij stort in fases in elkaar, als een Twin Tower. Het begint boven en wervel voor wervel knikt hij langs zijn ruggengraat via zijn heupen, knieën en enkels in elkaar. Ik duw hem met mijn rechterarm in zijn stoel, de elleboog van mijn linker plant ik in het gezicht van jongen 2 die achter me in actie dacht te komen. Er breekt wat, ik weet niet of het bot of tand is. Er is in elk geval sprake van bloed- en bewustzijnsverlies.

De laveloze wc-ganger vraagt of het wat zachter kan. Ik wrijf over mijn elleboog en zeg dat het wat zachter kan.

‘Allemaal leuk en aardig,’ zegt het meisje met een blik op haar bewusteloze vrienden, ‘maar wat is nou eigenlijk je punt?’
‘Mijn punt is,’ zeg ik, ‘- en ik ben trouwens blij dat je dat vraagt, voor hetzelfde geld denk je “die gast is knetter, laat maar” – maar mijn punt is Ryan Gosling.’
‘Je bent knetter, laat maar.’
‘Een sexy man die achteloos immoreel geweld pleegt, die moet wel een enorm mooie en complexe psyche hebben. Daar steekt wat achter, zo’n man is beschadigd. Maar als ik dit doe, denk je: wat een krankzinnige lul, opsluiten en verder niet meer over hebben.’
‘Ja, en?’ Ze haalt een pak tissues uit haar tas.
‘Bij Sharapova is het, gek genoeg, andersom. Die speelt krachttennis. Ze wint niet vanwege haar talent, maar op karakter. Maar omdat ze mooi is, denk jij dat het een omhoog gevallen trut is. Was ze een gnoom geweest, dan had jij d’r op handen gedragen.’
Het meisje heeft een bal van tissues gekneed en probeert het bloeden van jongen 2 te stelpen.
‘Dat was je punt,’ zegt ze na een stilte.
‘Ja,’ zeg ik.
‘En daarvoor moest je mijn vrienden bewusteloos slaan?’
‘Ja. Eigenlijk had ik schroevendraaiers in hun oogballen moeten steken, maar die heb ik niet bij me.’
‘Hm,’ zegt het meisje. Het bloeden van Jongen 2 is min of meer gestopt. Ze wurmt de prop tissues tussen de lege bierblikken in de vuilnisbak. ‘Ik snap wat je probeert te zeggen, maar de vergelijking gaat ergens mank. Sorry dat ik het zeg.’
‘Ja,’ geef ik toe, ‘er loopt iets scheef, maar ik weet niet wat.’
Het meisje schuift haar armen over elkaar. ‘Lekker dan. Jij een kapot shirt en ik twee bewusteloze vrienden. En waarvoor? De nada.’ Ze kijkt stuurs uit het raam.
Ik kijk naar mijn gescheurde shirt, het bloed dat aan de bakkes van jongen 2 kleeft, het schaapachtige bewusteloze bungelen van het hoofd van jongen 1 en het meisje dat alweer verveeld op haar telefoon zit te kijken.
‘Ha,’ zegt ze ineens opgetogen, ‘hier staat dat haar tegenstander eigenlijk beter was.’
‘Ja,’ zeg ik, ‘maar Maria heeft gewonnen.’

De Dader met het Moordwapen

‘Geen idee,’ knikte rechercheur Mulder naar de met bloed besmeurde  plastic pop die quasi nieuwsgierig uit een lichaamsholte van de overledene piepte, ‘hoe we dit aan de nabestaanden moeten vertellen.’ Agent Niewold haalde haar notitieblok tevoorschijn en wees naar een met bloed beschreven muur. ‘Kijk,’ constateerde ze trots, ‘een haiku.’
‘Een ollekebolleke,’ kwam Mulder naderbij, ‘zul je bedoelen.’
‘Wat?’ vroeg Niewold.
‘Ollekebolleke,’ stak Mulder een pijp op, ‘of Jiggery Pokery. Een in de jaren 70 uit het Engels taalgebeid naar het Nederlands overgewaaide versvorm. Twee keer vier regels, rijmschema ABCD EFGD, waarbij regel zes bestaat uit één woord met de klemtoon op – merkwaardig genoeg – de vierde lettergreep. Al met al erg arbeidsintensief en bepaald geen sinecure, daar het geheel de lezer op zijn minst een glimlach dient te ontlokken. Ik denk derhalve, klopte Mulder zijn pijp uit, ‘dat we de dader moeten zoeken in literaire kring.’
‘Interessant,’ raapte Niewold een door voornoemde slechterik verloren identiteitskaart van de grond, ‘daar had ik dus echt never nog nooit van gehoord.’

Een telefoontje, een arrestatie, een emotionele bekentenis en een veroordeling later, zaten Mulder en Niewold, nadat laatstgenoemde tot vier maal toe tevergeefs een uitsmijter had proberen binnen te houden, na een hoop vijven en zessen te wachten in de wachtkamer van een kliniek.
‘Wachtkamer,’ keek Mulder op zijn horloge, ‘de naam zegt het al.’
‘Ja,’ waardeerde Niewold het feit dat Mulder met haar was meegekomen en nam desondanks hopend dat hij verder zijn kop zou houden een oninteressant tijdschrift van een stapel.
‘Varens,’ knikte Mulder naar een stel bladplanten die in een hoek duidelijk al een tijdje geleden hun sfeerverhogende functies hadden neergelegd, ‘makkelijk in het onderhoud. In een lichtrijke omgeving zetten, regelmatig water geven en af en toe verpotten. Verder geen woorden aan vuil maken. Ze behoren tot een plantenfamilie die over de hele wereld verspreid is, vooral in bos- en wachtkamerrijke gebieden. Dat is het wel zo’n beetje.’
‘Ja,’ sloeg Niewold zonder die gelezen te hebben een bladzijde om.
‘Mijn ex,’ wees Mulder naar een nietszeggend schilderijtje, ‘heeft na de scheiding alle stillevens meegenomen. Waardeloze broddelwerkjes, maar desalniettemin wandversierselen. Vroeger-‘
‘Huaark,’ slaagde Niewold niet in haar opzet om met een nonchalante boer Mulder het zwijgen op te leggen. ‘Geeft niet,’ veegde Mulder het braaksel van haar trui, ‘dat zijn de zenuwen. Dat is, denk ik, heel normaal.’

‘Het zijn mijn zaken niet,’ parkeerde Mulder een medische ingreep later ’s avonds de Volvo bij Niewolds appartement, ‘maar wat ga je eigenlijk tegen je vriend zeggen?’
‘Wie zegt ik een vriend heb?’ staarde Niewold stuurs naar de lucht.
‘Aha,’ stak Mulder nog een pijp op, ‘op die fiets.’
‘Ik heb zin,’ knikte Niewold naar de sterrenhemel, ‘om met een bazooka al die sterren uit de lucht te knallen.’
‘Die zijn veel te ver weg,’ keek Mulder. ‘Dat haal je nooit.’
‘Nee, dat haal ik nooit,’ stapte Niewold uit de auto, ‘en zie jij ergens een bazooka?’

Gelukkig Nieuwjaar

Ik remde voor een portemonnee. Hij lag op het fietspad langs het kanaal. Een elegant zwart portemonneetje van ene A. Novovic. Het bevatte drie bankpassen, twee creditcards, een pas van een sportschool, een muntstuk van 50 cent en heel veel verfrommelde papiertjes, waaronder een bonnetje van de platenzaak. A. Novovic had een cd van Laura Marling gekocht. Dat vond ik mooi. Iemand die helemaal naar de platenzaak gaat om daar de cd van Laura Marling te kopen.

Ik kon 2013 besluiten met een goede daad, ik moest de portemonnee bij A. Novovic zien te krijgen. Liefst voordat A. Novovic in de telefonische rompslomp van blokkeren en opnieuw aanvragen zou verzeilen.
Het portemonneetje lag er nog niet zo lang. Het zag er versgevallen uit. Ik keek over het fietspad langs het kanaal of ik ergens een A. Novovic zag. Uit de informatie van de pasjes kon ik niet opmaken of ik daarbij naar een man of een vrouw moest uitkijken.

Een frisse jongen kwam me tegemoet gefietst. Zijn kapsel bestond volledig uit woeste blonde lokken. Hij riep ‘Alles! Alles!’ door een roeptoeter naar vier identiek frisse jongens in een roeiboot. Het leek me niet iets wat A. Novovic snel zou doen.
Vier vissers die net niet naast elkaar zaten, sloot ik ook uit als kandidaat-A. Novovic.
In de verte zag ik een figuur op een brommer. Ik weet niet waarom, maar ik kon me A. Novovic niet goed voorstellen op een brommer. Daarbij, de figuur in de verte was duidelijk een dikzak op een soort Puch. Geen type dat helemaal naar de platenzaak gaat voor een cd van Laura Marling.
Verder was er niemand.
Dus.
Op internet vond ik in mijn regio maar één A. Novovic. Een vrouw die op een adres in Hoograven woonde. De A stond voor Ana. Haar profielfoto op Facebook was met veel tegenlicht gemaakt, zodat je haar gezicht niet precies kon zien. Toch vond ik dat ze er heel erg als een Ana Novovic uitzag. Ze had 992 vrienden, waarvan nul gemeenschappelijk met mij.

Een rijtjeshuis in een leuke levendige buurt, vijf minuten fietsen van mij vandaan.
Ik belde aan.
Een man van begin dertig in een badjas, deed open. Hij rook naar bier en zag eruit alsof hij de hele nacht lusteloos door pornosites had zitten klikken.
‘Ja?’
‘Woont hier een A. Novovic?’ vroeg ik.
‘Uhm…’ zei de man. Hij plukte aan zijn haar. ‘Ja, die woont hier.’ Uit de manier waarop hij keek, begreep ik dat wonen het enige was dat Ana Novovic nog op dit adres deed.
‘Ik heb een portemonnee gevonden,’ zei ik. ‘Het geld is weg, maar alle pasjes zitten er nog in.’
Ik gaf hem de portemonnee. Hij keek er in.
‘Waar?’ vroeg hij.
‘Op het fietspad, langs het kanaal. Ter hoogte van het casino.’
‘Van het casino?’ zei hij en stak de portemonnee in een zak van zijn badjas. ‘Gottegottegot…’
‘Misschien hebben dieven haar gerold, het geld eruit genomen en de portemonnee daar op de grond gegooid,’ opperde ik.
‘Ja,’ zei de man, maar ik zag dat er in zijn hoofd zich een ander scenario ontvouwde.

Twee jochies van een jaar of twaalf brachten een bom tot ontploffing. De ramen trilden. De man en ik schreeuwden Jezus. De jochies renden lachend weg.

‘Sorry,’ zei de man toen we op adem waren gekomen. ‘Ik heb je helemaal niet bedankt. Moet ik je nou een beloning geven? Ik weet niet goed hoe dit soort dingen werken.’
‘Geeft niet,’ zei ik, ‘ik weet ook niet hoe ik een beloning in ontvangst zou moeten nemen.’
De man knikte.
‘Ik hoop dat ze de passen niet al heeft geblokkeerd,’ zei ik.
‘Shit, ja. Ik zal haar meteen bellen!’ Hij vloog naar binnen om zijn telefoon te halen.
‘Doei!’ riep ik door de deuropening en fietste weg. De scène waarin de man belt, Ana Novovic niet opneemt en de man zich realiseert dat ze niet opneemt vanwege de nummerherkenning, wilde ik mezelf besparen. Dat mocht wel voor een keertje.

2013 zat er bijna op. Op de radio vroeg een presentator aan een gast of hij zin had in 2014. De gast zei ja. Hij kon ook niet echt anders.

De Blauwe Watoessie

Ik moet een peuter ophalen bij een filiaal van de kinderopvang. Een dochter van een vriendin die vast zit in een file.
‘Je moet aanbellen en zeggen dat je Dirk bent en dat je voor Emma komt,’ had ze aan de telefoon gezegd, ‘dan weten ze daar genoeg.’
Het filiaal heet ‘De Blauwe Watoessie.’ Als ik aankom staat de kleuterleidster al klaar in de deuropening.
‘Jij bent zeker Dirk,’ zegt ze vriendelijk. Ze heeft kerngezondkleurige wangen, kort krullend haar en een erg goede tandarts.
‘Ja,’ zeg ik.
‘Anouk had je omschreven,’ zegt ze. ‘kom verder.’ Ze klinkt vrolijk, maar er zit iets zorgelijks bij. Alsof ze zo haar eigen gedachten heeft over Anouks plan om Emma aan mij mee te geven. Of misschien heeft Anouk in haar omschrijving van mij iets zorgwekkends gezegd. Dat kan. Ik maak me tegenwoordig minder zorgen over wat mensen van mij denken. Althans, dat is het idee. Het is onderdeel van een traject.

De kleuterleidster gaat me voor door een lange gang waarin het wemelt van de dreumesen. Overal zijn ouders in de weer met jasjes en rugzakjes en tegenstribbelend kroost. Een volwassen man zit op zijn hurken en zegt ‘papa doet de knoopjes dicht.’ Hij ziet er doodmoe, maar op een vreemde manier toch fit uit. Alsof iemand hem onder hypnose heeft toegefluisterd dat hij barst van de energie.

Emma maakt onderdeel uit van de Ottertjes. De Ottertjes zitten helemaal aan het einde van de gang. De wandeling duurt te lang om te blijven zwijgen, maar ik weet niet goed wat je zoal uit de losse pols tegen een kleuterleidster zegt.
‘Wat is een watoessie?’ vraag ik.
‘Wat?’ zegt de kleuterleidster.
‘De blauwe watoessie,’ zeg ik. ‘Wat is dat?’
‘O,’ zegt ze, ‘dat is de naam van de opvang.’

De kleuterleidster wijst naar een lokaal. ‘Emma is daar. Ze is de hele dag al een beetje moe en ze heeft niet veel gegeten. Ze zal misschien even aan je moeten wennen, maar daar moet je niet van schrikken.’ Ik knik. Anouk had ook al zoiets gezegd. Zowel Anouk als de kleuterleidster lijken zich meer zorgen om mij, dan om Emma te maken. Lief bedoeld waarschijnlijk, maar ik begin een beetje boos te worden.
Zodra Emma me herkent, begint ze te brullen. Logisch, natuurlijk. Peuters kunnen niet overweg met verandering. Ze kent me als visite, ik hoor niet in dat dagverblijf thuis en dus is er sprake van een verwarrende situatie. Haar angst is stompzinnig, maar herkenbaar. Even overweeg ik om hartverscheurend met haar mee te huilen, waarschijnlijk zou ik haar daarmee nog stil krijgen ook. Maar dan zou de kleuterleidster mij weer eng vinden. Ik wil niet dat de kleuterleidster mij eng vindt.

Het gehuil van Emma is ook voor haar mede-ottertjes aanstekelijk. De één na de ander begint met krijsen. Ik voel me als Jodie Foster in die gevangenisscène uit Silence of the Lambs waarin de gevangen haar van alle kanten obsceniteiten toeschreeuwen. Ik probeer het gehuil net als Foster van me af te laten glijden.
‘Wat is hier aan de hand?’ Een collega van de kleuterleidster staat met haar handen in haar zij in de deuropening. Een uit de kluiten gewassen exemplaar van begin veertig uit een boek van Roald Dahl.
‘Niets,’ zegt de kleuterleidster snel, ‘Emma moet even wennen.’
De uit de kluiten gewassen collega kijkt naar mij. ‘Een vriend van Anouk,’ verduidelijkt de leidster ongevraagd. De collega kijkt alsof ze achter mijn sociale onhandigheid en intellectuele huidskleur een of andere geflipte lone wolf vermoedt. Een gek met een mes. Vreemd genoeg bevalt die benadering me beter dan dat vooringenomen medelijden van de kleuterleidster. Ik beantwoord haar strenge blik met een ongepast liefdevolle. Het werkt. Ze gaat weg zonder iets te zeggen.
Ik ben een lone wolf van pluche.

Het gehuil van Emma blijft de aandacht trekken. Op het plein voor de Blauwe Watoessie word ik aangesproken door een vrouw met een ventje op de arm. ‘Jij bent zeker een vriend van Anouk?’ Ik knik. ‘Ze moet even wennen,’ zeg ik.
‘Ze mag ook bij ons komen spelen, hoor. Toch, Mees?’ Mees hikt. Hij is niet helemaal jofel.
‘Poes!’ wijst Emma ineens opgetogen. ‘Poes!’ Ik kijk. Emma heeft een punt.
Er is sprake van een poes.
De vrouw haalt een telefoon tevoorschijn. ‘Ik bel Anouk wel even.’

Een paar dagen later speel ik pool met een vriend in een café. Aan de bar staat een groepje uitgelaten jonge vrouwen luidruchtig te wezen. Een reünie van een jaarclub, of iets dergelijks. De kleuterleidster en ik doen alsof we elkaar niet hebben gezien.
De vriend krijt de keu. ‘Het lastige van pool is dat het alleen lukt wanneer je het benadert alsof je de Koning Met De Keu bent,’ zegt hij, ‘maar je bent natuurlijk eigenlijk gewoon een droplul met een stokkie.’ Ik knik.
Bij de bar schiet de kleuterleidster in de lach. Er is klaarblijkelijk iets leuks gebeurd.

 

Motief zonder Reden

‘Het zou mij verbazen,’ tikte rechercheur Mulder met het puntje van zijn schoen tegen het hoofd van de overledene, ‘als hier sprake blijkt van een natuurlijke dood.’
Agent Niewold stond een meter of tien van hem vandaan en inspecteerde de romp van de ongelukkige. Ze nam de stof van diens jasje tussen duim en wijsvinger. ‘Hm,’ zei ze nadenkend, ‘vreemde jas.’
‘Tweed,’ keek Mulder over haar schouder, ‘een grove wollen stof uit Groot-Brittannië. Ontleent zijn naam aan de rivier de Tweed, waarlangs het in eerste instantie werd geproduceerd.’
‘Rivieren,’ mijmerde Niewold, ‘als kind heb ik er veel in gezwommen. Mijn vader-‘
‘Niewold,’ voorkwam Mulder een oeverloos voortkabbelende anekdote vol tot in het niets meanderende zijpaden en gedachtekronkels, ‘bel de informant en zeg dat we onderweg zijn.’

De informant stond in een steeg onder een lantaarnpaal en wierp een huiveringwekkende schaduw.
‘Niet laten merken dat je bang bent,’ slenterde Mulder op hem af.
‘Ik ben niet bang,’ vergezelde Niewold haar meerdere, ‘ik heb het alleen een beetje koud.’
‘Je bent te licht gekleed van huis gegaan,’ keurde Mulder haar outfit, ‘maar het staat je goed, dat geef ik toe.’
‘Dank je,’ zei Niewold. Ze wilde dat ze een warmere jas had aangetrokken, maar ze kon willen wat ze wou, warmer kreeg ze het er niet van.
‘Wie we daar hebben,’ zei de informant toen ze blijkbaar binnen gehoorsafstand waren, ‘de Victor en Rolf van de Nederlandse recherche.’
‘Hier,’ stopte Mulder de informant een bankbiljet toe.
‘Zozo,’ zei de informant en knikte richting Niewold, ‘leuk knechtje, heb je tegenwoordig.’
‘Ik ben heen leuk bdechje,’ riposteerde Niewold snipverkouden.
‘Pittige tante,’ knipoogde de informant.
Niewold gaf de informant een muilpeer. ‘Ik ben been pibbige tante,’ sprak ze, ‘ik ben abent Niewold.’
Rechercheur Mulder smoorde het opstootje sussend in de kiem en ontfutselde met wat gevlei en toegestopte bankbiljetten de naam van de dader, die even later veilig achter slot en grendel zat. ‘Niewold,’ baste Mulder streng vanachter zijn uitsmijter in het stamcafé, terwijl buiten de regen tegen de ramen sloeg, ‘stop met klappertanden.’
‘Gaat niet,’ klappertandde Niewold.
‘Zie je wel,’ legde Mulder zijn bestek met twee klappen op tafel, ‘je bent ziek, dat krijg je ervan.’  ‘Sorry,’ snikte Niewold schuldbewust. Mulder liet zich vermurwen. ‘Ach,’ sloeg hij haar kameraadschappelijk tegen de schouder, ‘berouw komt na de zonde, zo is het nu eenmaal. Ik heb het één keer andersom geprobeerd en daar had ik meteen spijt van. Kom, ik breng je naar huis.’
‘Ja,’ zei Niewold.
‘Tot ziens,’ zei de barman.

‘Mijn therapeut denkt dat jij een vaderfiguur voor me vormt,’ zei Niewold, terwijl ze in bed kroop.
‘Een vaderfiguur?’ vulde Mulder een kruik met heet water, ‘Ik? Laat me niet lachen. Wat kost die therapeut, als ik vragen mag?’ Niewold noemde het bedrag. Mulder floot tussen zijn tanden.
‘Voor dat bedrag kan je zo een lang weekend naar Saarbrücken.’ Niewold keek hem blanco aan. ‘Saarbrücken,’ verduidelijkte Mulder, ‘hoofdstad van de Duitse deelstaat Saarland, ligt aan de rivier de Saar.’
‘Rivieren,’ mijmerde Niewold, ‘als kind heb ik er veel in gezwommen. Mijn vader-‘
Mulder sloeg de voordeur achter zich dicht. Op de stoep zat een hondje. ‘Dag,’ groette Mulder het dier en beende naar huis. De trouwe viervoeter bleef gewoon zitten.

Er waren werkzaamheden

De cursor knipperde verwijtend. Ik had nog drie uur en geen idee. Ik moest een synopsis voor een korte film inleveren bij een regisseur die ik via via had leren kennen. Iemand had hoog van mij opgegeven en ik had in de mailwisseling niets gedaan om de bij mij veronderstelde talenten tot realistischer proporties terug te brengen. Het was een enorme kans die mijn carrière een broodnodige impuls kon geven. Ik zette mijn computer uit en fietste naar het café.

Ik nam plaats aan een tafeltje bij het raam met uitzicht op de gracht en bestelde een cassis. Voor de vorm sloeg ik er een krant bij open. Een man die in zijn eentje op een dinsdagmiddag in een café achter een glas cassis zomaar wat rond zit te kijken, dat kan natuurlijk niet. Zoiets is eng. Niet op een met-een-kettingzaag-in-de-steeg-manier eng, maar ik wilde de mensen er toch niet mee lastig vallen. Nu was ik gewoon een meneer die in een vrij uurtje even de actualiteit doornam.

‘Hé,’ zei een vrouw van begin dertig. Ik schrok, want ik had haar niet aan zien komen. Ze stak haar hand naar me uit.
‘Maartje,’ zei ze.
‘Hallo,’ zei ik en schudde haar de hand. Ze hing haar jasje aan de leuning van de stoel tegenover me en ging zitten. Ze wees naar mijn halfvolle glas.
‘Wat drink jij?’ Er zat een hint van schrik in haar stem.
‘Cassis,’ zei ik.
‘Jezus,’ zei Maartje. Ze stond op. ‘Ik ga een wijntje bestellen, hoor. Wil jij nog iets?’
‘Een biertje dan maar,’ zei ik.
‘Gewoon bier?’ Ze klonk een beetje moedeloos, alsof je wel een hele suffe gast moest zijn om gewoon een gewoon biertje te bestellen.
‘Doe maar een Chouffe,’ zei ik om haar niet teleur te stellen. Ik had geen idee waarom ik haar niet teleur wilde stellen. Waarschijnlijk behoorde ‘niet teleurstellen’ tot de default settings van mijn karakter en moest ik nodig aan mezelf werken.
De vrouw liep met kordate passen naar de bar. Ik keek naar haar, naar de laarzen, de merkkleding en het ongetwijfeld door fanatiek fitnessen verkregen figuur en vroeg me af of ik haar ergens van zou moeten kennen. Het leek geen type wiens wegen makkelijk op een vanzelfsprekende manier de mijne zouden kruisen.

‘Proost,’ zei Maartje, nadat de serveerster de glazen voor ons op tafel gezet had. Ze keek me doordringend aan. Felgroene ogen, had ze. Mooi wel, maar niet bijster vrolijk.
‘Leuk café,’ zei ze.
‘Ja,’ zei ik.
‘Het was nog een heel gedoe om hier te komen. Er waren werkzaamheden op het spoor.’
‘Moest je met de bus?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei ze. Ze nam een slok.
‘Ja,’zei ik, ‘dan duurt het wel even.’
‘En dan ben je er nog niet,’ zei Maartje. ‘Dit is ook nog zeker een kwartier lopen.’
‘U had kaasstengels besteld?’ vroeg de serveerster. Ze wilde de schaal al op tafel zetten.
‘Nee,’ zei ik, ‘die mensen bij de sigarettenautomaat hebben kaasstengels besteld.’
‘O,’ zei de serveerster en bracht de kaasstengels naar de mensen bij de sigarettenautomaat.
‘Hoe wist je dat?’ vroeg Maartje. Ik haalde mijn schouders op.
‘Geen idee. Gewoon. Ik heb dat altijd,’ zei ik. Ik wees naar een vrouw aan de bar. ‘Zij zit al een minuut of dertig op tomatensoep te wachten. Ik weet niet waarom ik dat weet. Blijkbaar let ik daar op.’
‘Zeg,’ zei ze zakelijk, ‘ik vind het reuze gezellig, maar vind je het goed als ik meteen even duidelijk word?’
‘Graag,’ zei ik.
‘Je bent mijn type niet, sorry.’ Ze keek me aan alsof ze me zojuist had meegedeeld dat ik een terminale ziekte had en nog maar drie maanden te leven. ‘Je lijkt me hartstikke aardig en Annemein heeft echt heel leuke dingen over je verteld, maar het fysieke aspect ontbreekt. Het spijt me.’
Vanuit mijn ooghoek zag ik een lange man in op het oog gewone, maar stiekem peperdure kleren, plaats nemen aan een tafeltje bij de deur. Hij keek op zijn horloge.
‘Het geeft niet,’ zei ik, ‘wat ontbreekt, ontbreekt.’
‘Het ligt niet aan jou, het is gewoon een kwestie van smaak.’ De vrouw keek me bemoedigend aan. ‘Annemein, bijvoorbeeld, vindt jou een enorm lekker ding.’
De man aan de tafel kreeg een espresso van de serveerster. Hij had een kordate manier van roeren. ‘Ja,’ zei ik, ‘Annemein heeft smaak.’
Ze lachte en nam, om het afscheid te bespoedigen, een flinke slok van haar wijn. Ik zweeg. Op de achtergrond klonk ‘a night like this’. Maartje neuriede een regel mee. Er school vast een diepe treurnis onder haar doelgerichte manier van zijn, na een paar Chouffe zou ik misschien nog medelijden met haar krijgen ook. Na een paar Chouffe kreeg ik medelijden met alles en iedereen, tot aan Caro Emerald aan toe. Medelijden van het soort waar niemand op zit te wachten. Zeker zo’n Maartje niet.
Zover kwam het gelukkig niet. Bij de laatste slok had ze haar jas al aan. Ze rommelde in haar tas, op zoek naar haar portemonnee.
‘Dat zit wel goed,’ zei ik.
Ze gaf me een hand. ‘Nou,’ zei ze, ‘leuk je ontmoet te hebben. Groeten aan Annemein.’
‘Ja,’ zei ik, ‘jij ook.’
Maartje vertrok en ik rekende af aan de bar. De lange man sloeg een tijdschrift open.

Rozig van de Chouffe staarde ik naar de knipperende cursor. Ik had nog een uur en pas één zin. ‘Een vrouw op een loopband, met naast haar nog een vrouw op een loopband,’ stond er.
Ik vond het vijf minuten lang best een mooie zin.

De zaak Dossier

‘Wat een kutmiddag,’ hurkte rechercheur Mulder in de berm bij het stoffelijk overschot. ‘Ze hadden zacht weer voorspeld, desalniettemin heb ik vanochtend, gelukkig maar, een dikke jas aangetrokken.’
Agent Niewold likte aan het puntje van een ballpoint, terwijl ze door aantekeningen in een blocnote bladerde. ‘Het zal mij benieuwen wie hier achter steekt,’ zei ze met een kort knikje naar de levenloze.
‘Anders mij wel, Niewold,’ krabde de door de wol geverfde Mulder zich achter het oor, ‘maar vooralsnog tasten we in het duister.’ Een aantal maanden gedegen rechercheonderzoek, een achtervolging, een schietpartij, een arrestatie, een ondervraging en een veroordeling later ploften ze een aantal illusies armer, maar een ervaring rijker neer op twee barkrukken in het voor stamcafé doorgaande etablissement aan de gracht.
‘Hans,’ baste Mulder karakteristiek naar de uitbater die ergens met een dweil stond te dweilen, ‘twee uitsmijters, alsjeblieft.’
‘De uitsmijters zijn op.’ De man hing zijn dweil aan de wilgen en ging plichtmatig achter de tapkast staan. ‘En ik ben niet Hans. Hans is dood.’
‘Jammer,’ legde Mulder zich bij de feiten neer, ‘ik heb enorme trek en het was een beste kerel.’
‘Auw,’ gilde Niewold.
‘Zeg,’ richtte Mulder zich tot de uitbater, ‘waar zijn eigenlijk je klanten?’
‘Klanten,’ zuchtte de man, ‘wat moet je d’r mee? Ze komen binnen, bestellen wat, rekenen af en vertrekken weer. De rest interesseert ze geen zier.’
‘Ik herken dat,’ stak Mulder de uitbater een hart onder de riem, ‘al heb ik natuurlijk geen klanten. Niewold, je kijkt beteuterd. Ik zou graag – ook voor je eigen bestwil – zien dat je daarmee stopt.’
‘Ik heb op mijn tong gebeten,’ sprak Niewold op toch nog best beheerste toon.
‘Een moment van verslapping,’ fronste Mulder, ‘niet goed te praten, maar je bent nog jong en onervaren en het kan de beste overkomen, dus bij nader inzien toch goed te praten. Proost! Op de toekomst!’
‘Ja,’ zei Niewold bedachtzaam, ‘dat is goed.’
Ze proostten met de glazen bier die Mulder even daarvoor namelijk besteld had.

Het was gezellig

Ik stond op het perron een boek te lezen, een roman over honkbal. Naast me stond een forse man van begin vijftig  met Surinaams bloed.
‘Dat is een goed boek,’ zei de man opeens, alsof iemand hem iets gevraagd had.
‘Laat me met rust,’ dacht ik, want het was inderdaad een geweldig boek, maar ik zei ‘ja.’ De man zweeg verder, maar het lukte me niet meer om het hoofd bij de dramatische passage in het boek te houden. De aanwezigheid van de man, die voor mijn gevoel op het punt stond om er nog wat lullige constateringen uit te gooien (‘dat is een knappe blouse, daar staan vier meneren, dit is mijn koffer, kijk een hond’) leidde teveel af. Daarbij kwam er een spriet van een meid met een basketbal aangedribbeld. Ze stopte een paar meter naast ons en stak, terwijl ze met haar andere hand de bal op de grond liet stuiteren, een sigaret op.
‘Ik zit op basketbal, vandaar’ zei ze voor de vuist weg. ‘Nog niet zo heel lang, hoor.’
‘Hoe lang dan?’ vroeg de man.
‘Tien maanden,’ zei het meisje.
‘Tien maanden is al best lang,’ vond de man. ‘Laat maar eens wat zien.’
Het meisje legde haar sigaret op de grond en begon aan een serie passeerbewegingen. Ik borg het geweldige boek in mijn tas om samen met een wildvreemde man de basketbalkunsten van een wildvreemd meisje te beoordelen. Volgens de mevrouw uit de luidsprekers kwam de intercity over enkele ogenblikken.
‘Goed voetenwerk,’ vond de man.
‘Dank je,’ hijgde het meisje.
‘Je hebt je sigaret uitgebasketbald,’ zei ik.
Het meisje keek. ‘Dat komt goed uit,’ zei ze tevreden, ‘want daar is de trein.’

Het meisje en de man namen tegenover elkaar plaats bij het raam. Ik had kunnen doorlopen om ergens anders fijn het geweldige boek open te slaan, maar ik nam toch plaats naast het meisje. Het werd tijd om ons aan elkaar voor te stellen. Het meisje heette Zefie, de man met het Surinaamse bloed heette Dirk en ik heette ook Dirk.
‘Nààààjááááá,’ zei Zefie.
‘Zeg,’ zei een norse man een paar banken verderop, ‘kunnen jullie niet lezen? Dit is een stiltecoupé.
‘Wat?’ Zefie keek verbaasd naar Dirk. Dirk wees naar het raam waarop met stickerletters het woord ‘stilte’ stond geplakt. Kennelijk had Zefie nog nooit van een stiltecoupé gehoord. Het hele concept leek haar tot op het bot te verwarren. Ze keek van Dirk naar mij naar het raam. Van verbijsterd, naar verontwaardigd, naar woedend en weer terug. Toen sloeg ze haar armen zelfverzekerd over elkaar.
‘Dat is gewoon een raam,’ zei ze, ‘daar ga ik niet naar zitten luisteren.’ Ze begon, expres op luide toon, Dirk en mij met vragen te bestoken. Leeftijd, woonplaats en wat we deden voor beroep. Dirk en ik antwoordden zo zachtjes mogelijk. De norse man hield zich gedeisd.
‘Jij ziet er niet echt uit als een Dirk,’ zei Zefie tegen Dirk. Ze bestudeerde zijn gezicht. Hij wist duidelijk niet wat hij moest zeggen. ‘Kijk,’ ze wees naar mij, ‘hij is een Dirk, maar jij…’
‘Ik ben half Surinaams,’ zei Dirk. ‘Misschien is dat het.’ Zefie bleef hem aankijken en schudde langzaam van nee.
‘Zefie,’schoot ik mijn naamgenoot te hulp, ‘wat een leuke naam, die hoor je niet veel.’
‘Ik ben geboren op de Antillen. Eigenlijk heet ik Z(heel ingewikkelde klankcombinatie), maar dat kan niemand onthouden, dus iedereen noemt me Zefie. Ik ben eraan gewend. Hoe oud denken jullie dat ik ben?’ Ze keek plagerig.
‘O, nee. Daar begin ik niet aan’ zei Dirk. Met een armgebaar kaatste hij de vraag naar mij.
‘Ik kijk wel uit,’ zei ik.
‘Wat is dat nou weer voor iets raars! Jullie kunnen toch wel raden? Wat maakt dat nou uit?’
‘Éénentwintig,’ zei ik. Ze keek beteuterd.
‘Hoe wist je dat? De meeste mensen schatten me zeventien, achttien.’
‘Ach,’ zei ik. ‘Ik kan gewoon goed raden.’

In Den Bosch mocht ik eruit. Dirk en Zefie waren nog tot Roermond tot elkaar veroordeeld.
‘Nou, fijne reis nog,’ zei ik. ‘Het was gezellig.’
‘Hé!’ ze sloeg me hard op mijn been. ‘Jij bent toch schrijver? Ga je nou hierover schrijven?’
‘Uhm,’ zei ik, ‘dat weet ik niet, hoor.’
‘Ja, er is natuurlijk niet echt iets gebeurd, of wel?’ Zefie keek nadenkend naar Dirk. ‘Je kan niet overal over schrijven, er moet natuurlijk iets gebeuren.’
‘Ja,’ zei ik en pakte mijn tas met het geweldige boek erin.
‘Maar áls je tóch hierover schrijft,’ zei ze met een mengeling van hoop en ernst, ‘dan moet je dat over mijn ex eruit laten.’
‘Beloofd,’ zei ik en schudde Zefie de hand. Daarna pakte ik die van Dirk.
‘Jij nog voorwaarden?’ vroeg ik.
‘Je schrijft maar een end weg,’ zei hij, ‘zolang je mijn naam maar verandert.’