Jacht op de Voortvluchtige

‘Noem me oud en sentimenteel’, trok rechercheur Mulder een vleesvork uit de oogkas van de verkoolde overledene, ‘maar ik vind het tragisch.’ Agent Niewold stond in een hoek van het park en richtte haar zaklantaarn op een DNA-spoor. ‘Een DNA-spoor,’ mompelde ze, ‘dat is wel heel toevallig.’
‘Ben jij niet een beetje jong,’ verscheen Mulder aan haar zijde,’om in afzondering voor je uit te staan mompelen?’
‘Een DNA-spoor,’ wees ze. ‘Het slingert van het bankje langs de rododendrons door de vijver via de wipkippen naar de kinderboerderij. Noem me achterdochtig, maar ik vind het te makkelijk.’
‘Achterdocht is goed,’ aaide Mulder, nadat ze de aan het eind van het spoor tussen de geiten verscholen jerrycan aan het forensisch team hadden meegegeven, een varkentje, ‘maar je kunt ook overdrijven.’

Een hit in de databank, een gewapende inval, een vuurgevecht, een lelijke misser van Mulder, een begrafenis van een voorbijganger in besloten kring, een tik op de vingers van de hoofdcommissaris en godzijdank een veroordeling later finishte Niewold, nadat een en ander zorgvuldig in de doofpot verdwenen was, op een verdienstelijke 415e plek in de marathon van Kopenhagen.
‘Tjee,’ gooide Niewold haar maaginhoud over de schoenen van Mulder, ‘ik heb me helemaal rot gerend.’
‘Hier,’ gaf hij haar een bidon water, ‘om op te drinken.’
‘Leuke stad,’ dronk Niewold, ‘eigenlijk zonde om er zo hard doorheen te hollen.’
‘Steden,’ stak Mulder met de hem zo kenmerkende zwier een pijp op, ‘een ratjetoe van wijken en buurten met een plaatsnaambordje ervoor. Net dorpen, maar dan groter.’
‘Kom,’ stuurde Niewold aan op hun vertrek, ‘laten we gaan.’

‘De hoofdcommissaris,’ nam Niewold de terugrit voor haar rekening, ‘wil me overplaatsen naar Maastricht.’
‘O?’ stapte Mulder zo nonchalant mogelijk uit de Volvo.
‘Ja,’ volgde Niewold zijn voorbeeld, ‘er is een rechercheurplek vrijgekomen en, nou ja, het is een kans.’
‘Maastricht,’ wandelde hij de stamkroeg binnen, ‘leuk. Daar heb ik ooit eens een keer op een praalwagen gestaan, in Maastricht. Hebben we nog een hoop bekijks mee getrokken. Zwaaien dat de mensen deden. Eigenlijk gek, als je erover nadenkt. Maar dat was vroeger. Toen deed je dat soort dingen.’
Niewold bestelde bier. Ze zwegen.
Buiten botste een hond tegen een parkeermeter.
‘Zeg,’ zette Mulder zijn lege glas op tafel, ‘had jij niet een zus die ook voor de politie werkt?’
‘Nee,’ rekende Niewold af met de barman, ‘ik heb een broer in de detailhandel.’
‘O,’ zei Mulder, ‘dan heb ik waarschijnlijk vreemd gedroomd.’