De Blauwe Watoessie

Ik moet een peuter ophalen bij een filiaal van de kinderopvang. Een dochter van een vriendin die vast zit in een file.
‘Je moet aanbellen en zeggen dat je Dirk bent en dat je voor Emma komt,’ had ze aan de telefoon gezegd, ‘dan weten ze daar genoeg.’
Het filiaal heet ‘De Blauwe Watoessie.’ Als ik aankom staat de kleuterleidster al klaar in de deuropening.
‘Jij bent zeker Dirk,’ zegt ze vriendelijk. Ze heeft kerngezondkleurige wangen, kort krullend haar en een erg goede tandarts.
‘Ja,’ zeg ik.
‘Anouk had je omschreven,’ zegt ze. ‘kom verder.’ Ze klinkt vrolijk, maar er zit iets zorgelijks bij. Alsof ze zo haar eigen gedachten heeft over Anouks plan om Emma aan mij mee te geven. Of misschien heeft Anouk in haar omschrijving van mij iets zorgwekkends gezegd. Dat kan. Ik maak me tegenwoordig minder zorgen over wat mensen van mij denken. Althans, dat is het idee. Het is onderdeel van een traject.

De kleuterleidster gaat me voor door een lange gang waarin het wemelt van de dreumesen. Overal zijn ouders in de weer met jasjes en rugzakjes en tegenstribbelend kroost. Een volwassen man zit op zijn hurken en zegt ‘papa doet de knoopjes dicht.’ Hij ziet er doodmoe, maar op een vreemde manier toch fit uit. Alsof iemand hem onder hypnose heeft toegefluisterd dat hij barst van de energie.

Emma maakt onderdeel uit van de Ottertjes. De Ottertjes zitten helemaal aan het einde van de gang. De wandeling duurt te lang om te blijven zwijgen, maar ik weet niet goed wat je zoal uit de losse pols tegen een kleuterleidster zegt.
‘Wat is een watoessie?’ vraag ik.
‘Wat?’ zegt de kleuterleidster.
‘De blauwe watoessie,’ zeg ik. ‘Wat is dat?’
‘O,’ zegt ze, ‘dat is de naam van de opvang.’

De kleuterleidster wijst naar een lokaal. ‘Emma is daar. Ze is de hele dag al een beetje moe en ze heeft niet veel gegeten. Ze zal misschien even aan je moeten wennen, maar daar moet je niet van schrikken.’ Ik knik. Anouk had ook al zoiets gezegd. Zowel Anouk als de kleuterleidster lijken zich meer zorgen om mij, dan om Emma te maken. Lief bedoeld waarschijnlijk, maar ik begin een beetje boos te worden.
Zodra Emma me herkent, begint ze te brullen. Logisch, natuurlijk. Peuters kunnen niet overweg met verandering. Ze kent me als visite, ik hoor niet in dat dagverblijf thuis en dus is er sprake van een verwarrende situatie. Haar angst is stompzinnig, maar herkenbaar. Even overweeg ik om hartverscheurend met haar mee te huilen, waarschijnlijk zou ik haar daarmee nog stil krijgen ook. Maar dan zou de kleuterleidster mij weer eng vinden. Ik wil niet dat de kleuterleidster mij eng vindt.

Het gehuil van Emma is ook voor haar mede-ottertjes aanstekelijk. De één na de ander begint met krijsen. Ik voel me als Jodie Foster in die gevangenisscène uit Silence of the Lambs waarin de gevangen haar van alle kanten obsceniteiten toeschreeuwen. Ik probeer het gehuil net als Foster van me af te laten glijden.
‘Wat is hier aan de hand?’ Een collega van de kleuterleidster staat met haar handen in haar zij in de deuropening. Een uit de kluiten gewassen exemplaar van begin veertig uit een boek van Roald Dahl.
‘Niets,’ zegt de kleuterleidster snel, ‘Emma moet even wennen.’
De uit de kluiten gewassen collega kijkt naar mij. ‘Een vriend van Anouk,’ verduidelijkt de leidster ongevraagd. De collega kijkt alsof ze achter mijn sociale onhandigheid en intellectuele huidskleur een of andere geflipte lone wolf vermoedt. Een gek met een mes. Vreemd genoeg bevalt die benadering me beter dan dat vooringenomen medelijden van de kleuterleidster. Ik beantwoord haar strenge blik met een ongepast liefdevolle. Het werkt. Ze gaat weg zonder iets te zeggen.
Ik ben een lone wolf van pluche.

Het gehuil van Emma blijft de aandacht trekken. Op het plein voor de Blauwe Watoessie word ik aangesproken door een vrouw met een ventje op de arm. ‘Jij bent zeker een vriend van Anouk?’ Ik knik. ‘Ze moet even wennen,’ zeg ik.
‘Ze mag ook bij ons komen spelen, hoor. Toch, Mees?’ Mees hikt. Hij is niet helemaal jofel.
‘Poes!’ wijst Emma ineens opgetogen. ‘Poes!’ Ik kijk. Emma heeft een punt.
Er is sprake van een poes.
De vrouw haalt een telefoon tevoorschijn. ‘Ik bel Anouk wel even.’

Een paar dagen later speel ik pool met een vriend in een café. Aan de bar staat een groepje uitgelaten jonge vrouwen luidruchtig te wezen. Een reünie van een jaarclub, of iets dergelijks. De kleuterleidster en ik doen alsof we elkaar niet hebben gezien.
De vriend krijt de keu. ‘Het lastige van pool is dat het alleen lukt wanneer je het benadert alsof je de Koning Met De Keu bent,’ zegt hij, ‘maar je bent natuurlijk eigenlijk gewoon een droplul met een stokkie.’ Ik knik.
Bij de bar schiet de kleuterleidster in de lach. Er is klaarblijkelijk iets leuks gebeurd.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *